Toen alles afbrandde, bleef dit over
Vorige maanden was het hier wat stilletjes.
Ik maakte nog wel wat lawaai voor de workshops, evenementen en zomerplannetjes.
Maar binnenin? Daar stroomde het even niet zo.
Voor het eerst in 2 jaar voelde ik paniek.
Ik vroeg me af: “Krijg ik nu die klap?”
De grens van mijn draagkracht, die was akelig voelbaar.
Zou ik vallen of zou ik nog net blijven staan?
Toen ik zwanger was, kreeg ik een mantra cadeau van een goede vriendin.
Totaal onvoorbereid op dit nieuwe avontuur, op het einde van mijn sabbatjaar, zonder huis, werk of duidelijk toekomstplan, kon ik die wel gebruiken.
“Er is een speciale kracht voor mama’s en baby’s. Jullie zijn zo beschermd.”
Terwijl ik het hier neerschrijf, twijfel ik of zoiets nu wel mag zeggen.
Want op dit moment zijn er zovele mama’s en baby’s die geen bescherming hebben.
Ze verhongeren terwijl de hele wereld toekijkt.
Ik huil elke dag en er plakt iets vies aan me dat ik niet afgewassen krijg.
Maar op dat moment voelde die mantra voor mij juist.
Ik herhaalde de woorden tot ik ze ging geloven, tot ik ze leefde.
Van een camionette naar een omgebouwde garage bij mijn mama, naar een pipowagen in de natuur, naar een huisje in een cohousing.
Van een versnipperd netwerk in binnen- en buitenland, bouwde ik een dorp. Rond mezelf, rond ons. Tot ik het zelf kon beginnen delen.
Werk bouwde zich langzaam opnieuw op en een aantal maanden geleden begon ik eindelijk de vruchten te plukken van wat ik gezaaid had.
Een beetje speels delen op Instagram met mijn kind op de buik of rug.
Gewoon eerlijk, zonder veel franjes.
Vanuit mijn nieuwe rol als mama een kijk geven op waar ik al 15 jaar mee bezig was: opvoeding, verbinding, ouderschap.
En toen…
Net toen ik het gevoel had dat ik mezelf en mijn dochter redelijk op de rails had, dat ik misschien wel weer klaar was voor méér,
kreeg ik twee keer slecht nieuws.
Numero uno:
Er was brand geweest in mijn eigen appartement (waar ik niet woon).
Er bleef niets over van wat ik met zoveel zorg had ingericht.
Degene die de brand veroorzaakt had? Gewoon vertrokken, zonder zorg laat staan fatsoen.
Een ongeplande renovatie diende zich aan.
Numero dos:
Ik voelde plots de druk om nóg meer te werken. Terwijl ik eigenlijk elk uur van de dag al bezig was.
En elke ochtend mezelf beloofde: vanavond ga ik écht op tijd slapen.
De mantra die me tot hier had gedragen, was kapot.
Maar ik ging door. De projecten gingen door.
Tussendoor mee verven en vechten met mijn aversie van doe-het-zelf zaken.
Vroeger had ik zeker die hartsprojecten geannuleerd en nu voelde ik dat ik dat niet kon én niet wou.
En dus bleef het hier wat stil.
Tussen de rook en het pijn, vond ik iets belangrijks terug.
De liefde in mezelf die zei: “Deze investering klopt niet meer met wie je nu bent. Verspil geen energie aan kwaadheid. Zie dit als een kans.”
Een kans om nog meer los te laten en mee te vloeien, het appartement klaar te maken voor verkoop, en stilletjes te beginnen dromen van iets nieuws.
Deze investering was het laatste stukje van mijn oude leven, toen ik nog veel meer vanuit controle leefde. Ik begreep waarom dit eraan moest.
En er was meer.
Vrienden van mij regelden hulp bij de verbouwing.
Toen die hulp aan de deur stond, gingen alle rookdetectors nog een keer syncroon af.
Alsof het huis, mijn lijf, het leven zelf nog een keer alarm sloeg.
Niet uit paniek, maar als teken: “Er verandert iets. Kijk goed. Wees wakker.”
Ik moest op sterke schouders kruipen om ze af te zetten.
Een interessante kennismaking kan je dat wel noemen.
Sindsdien ben ik aan het daten.
Zacht, traag en onverwacht juist, kwam er ruimte voor iets nieuws.
Niet alleen ik als mama, of ik als therapeut, of ik als regelaar van vanalles en nog wat.
Ook ik als vrouw.
Iets wat waarschijnijk alleen per ongeluk had kunnen ontstaan.
Want tijd, die heb ik als fultime single-mom niet echt op overschot.
Het is veel te vroeg om er iets groots over te zeggen
En alles kan uiteraard altijd nog alle kanten uitdraaien.
Maar misschien was die brand nog niet zo slecht.
Misschien.
Het doet me denken aan dit oude Taoïstische verhaal:
Er was eens een oude boer die aan de rand van een klein dorp woonde. Hij bezat weinig, behalve zijn enige zoon en een paard.
Op een dag liep het paard weg.
De buren kwamen bij hem en riepen:
“Wat een verschrikkelijk ongeluk!”
De oude man antwoordde:
“Misschien.”
Een week later keerde het paard terug, gevolgd door een kudde wilde paarden uit de bergen.
De buren zeiden:
“Wat een wonder! Wat een geluk!”
De oude man antwoordde:
“Misschien.”
Zijn zoon probeerde een van de wilde paarden te berijden, maar hij viel en brak zijn been.
De buren kwamen weer en zeiden:
“Wat een ramp, je enige zoon, gebroken en nutteloos!”
De oude man zei enkel:
“Misschien.”
Kort daarna brak er oorlog uit. Alle jonge mannen uit het dorp werden opgeroepen om te vechten. Velen zouden niet terugkeren.
De zoon van de oude man werd niet meegenomen, omdat zijn been gebroken was.
De buren kwamen weer en zeiden:
“Wat een geluk dat je zoon veilig is gebleven.”
De oude man glimlachte zachtjes en zei:
“Misschien.”